Schilderswinkel
Cees had zijn grootouders eigenlijk niet echt gekend. Hij was pas drie jaar oud toen ze binnen twee maanden na elkaar overleden. Zijn opa was altijd schilder geweest, huisschilder wel te verstaan. Het huis waarin de oudjes tot aan hun dood hadden gewoond, had vroeger dienstgedaan als woonwinkelpand. Na het overlijden van zijn moeder was het in bezit van Cees gekomen.
Cees voelde geen bijzondere binding met de voormalige schilderswinkel. Hij besloot hem te verkopen. Nee, van bodemverontreiniging was hem niets bekend, zo had hij de makelaar verzekerd. Wel vertelde hij over de bedrijfsmatige activiteiten die zijn grootvader er vroeger had ontplooid.
De onroerendgoedmarkt was ‘booming’ en het pand werd snel verkocht. Ongeveer een half jaar later werd Cees benaderd door de koper. Er had zich een fors probleem aangediend. De oude schuur achter de woning was gesloopt en bij het uitgraven van de fundering was een ernstige vervuiling aan het licht gekomen. Het ging onmiskenbaar om giftige pigmenten en vluchtige aromaten. Deze stoffen werden in de vorige eeuw gebruikt bij het fabriceren van verf. De saneringskosten waren niet misselijk. De rekening bedroeg € 18.088, inclusief BTW.
De nieuwe eigenaar stelde Cees aansprakelijk voor de schade. Een rechtszaak volgde. Het kwam daarin aan op getuigenbewijs. Doorslaggevend was de verklaring van de makelaar. Hij beweerde onder ede dat hij de koper had geïnformeerd over de vroegere functie van het pand. Volgens de rechter was de koper daarmee voldoende ingelicht. De koper had nader onderzoek moeten instellen naar mogelijke verontreiniging. Door dit na te laten, bleef de schade voor eigen rekening, aldus het vonnis van de rechter.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten